ponyrassen

Shetlanders hebben hun lichamelijke eigenschappen te danken aan het ruige klimaat van de Shetland Islands, ongeveer 185 km ten noordoosten van Schotland. De pony is klein en gespierd en heeft harde, sterke hoeven en een dubbele wintervacht die zwart, bruin, kastanjekleurig, grijs of gevlekt kan zijn. De lange luchtwegen zorgen ervoor dat de lucht warm is als deze de longen bereikt. Shetlanders zijn waarschijnlijk ongeveer tienduizend jaar geleden over de toenmalige ijsvelden vanuit Scandinavië naar de Shetland Islands getrokken. Het is het kleinste ponyras ter wereld, met een schofthoogte variërend van 85 tot 107 cm. Na 1945 is men de pony's eerst vooral gaan waarderen als trekkrachten in de landbouw op de lichte gronden en later ook voor sport en ontspanning

Falabella, ca. 50 cm hoog. Dit ‘ras’ behoort niet tot de echte ponyrassen, die zich juist onderscheiden door een krachtige bouw, uitstekende gezondheid, grote vruchtbaarheid, geringe gevoeligheid voor ziekten en gebreken.

Ijslanders werden aanvankelijk ingevoerd als kinderrijpony en later voor het zgn. trekken (ruitertoerisme). Ze kunnen evenals de Connemara's, de Haflingers en de Fjorden ook door volwassenen bereden worden.

Przewalskipaard, een soort uit de paardenfamilie, is relatief klein en gedrongen met een groot hoofd en een lange staart. Aan het einde van de 19de eeuw kwam het dier nog voor in de steppes en woestijnen van Mongolië, Kazachstan en delen van China. Daarna verminderde de populatie zo sterk door afnemende leefruimte en omdat er jacht op werd gemaakt, dat het dier niet meer in het wild voorkwam, maar alleen nog in gevangenschap. Het is nu weer uitgezet in Mongolië. Het gedrongen en dikkoppige paardje (het type van een hit) heeft een schouderhoogte van 125–145 cm, is bruinachtig van kleur ('s zomers kortharig, 's winters lang en ruig behaard) met een lichtere snuit, tweekleurige rechtopstaande manen en een donkere rugstreep (aalstreep), soms ook een donker kruis op de schouders. Op de benen zijn meestal enige donkere dwarsstrepen te vinden.

Welsh Mountain, vrij fijn gebouwde rijpony. De Welsh wordt wel de volbloed onder de pony’s genoemd. Zij worden afhankelijk van de stokmaat ingedeeld in een aantal secties. De kleinste, de Welsh Mountain heeft een maximale stokmaat van ongeveer 1.22 m.

Welsh Cob, de grootste en zwaarste variëteit van de Welsh-pony is de Welsh Cob, die nogal eens de pony-grens van 1.47 m overschrijdt.

New Forest pony, groter en iets zwaarder gebouwd dan de kleinste sectie Welsh pony's. In de stamboekfokkerij streeft men naar een klein rijpaard met ponymaat.

Fjord, een pony met een stokmaat rond de 1.40 m. Deze uit Noorwegen afkomstige pony is een diepe, gespierde pony met een vrij korte, zware hals. De kleur is altijd een onechte isabel met een aalstreep. Haflinger, komt oorspronkelijk uit Tirol en is qua type vergelijkbaar met het Nederlandse Trekpaard in ponyvorm. De kleur is uniform vos met meestal lichte manen, staart en onderbenen; de zogenaamde zweetvos. De stokmaat is net boven de 1.40 m.

Sandel, in de tropen komen betrekkelijk weinig eigen paarden- en ponyrassen voor. De Sandel, afkomstig van het eiland Soemba, is het bekendste ponyras van Z.O.-Azië. De stokmaat ligt rond de 1.25 m.

 

Top

Home